Het onderzoeksrapport


SCHOLEN VAN VROEGER

Wie gingen er vroeger naar school?
Kinderen van rijke ouders gingen naar sjieke scholen en wisten ook zeker dat ze een goede baan zouden vinden.
Kinderen die geen rijke ouders hadden, gingen soms helemaal niet naar school.
Ze moesten van jongs af aan werken.
Veel volwassenen konden dus niet lezen of schrijven.
In 1811 kon 25% van de mannen en 40% van de vrouwen hun naam niet schrijven.
De meeste kinderen gingen wel een paar jaar naar school, ook al bleven ze vaak weg van school.
Dat was geen spijbelen want het was in de negentiende eeuw nog niet wettelijk verplicht om naar school te gaan.
Vroeger gingen de kinderen alleen maar ’s winters naar school, ’s zomers werkten ze op het land. Meisjes gingen nog minder naar school als jongens.
Zij zouden later toch trouwen en een gezin krijgen. Hun ouders vonden het niet belangrijk of zij leerden schrijven.
De regering probeerde wel om zoveel mogelijk kinderen naar school te laten gaan.
De ouders mochten zelf beslissen of hun kind niet of wel onderwijs volgde.
Het geld (bedeling) voor de armen (dit werd alleen in het noorden van het land gedaan).
In 1858 ging bijna 75% van de kinderen in Nederland naar school.
De mensen vonden het toch steeds belangrijker dat hun kind naar school ging.
In 1901 werd de leerplicht ingesteld vanaf toen moesten alle kinderen lang zes jaar lang les krijgen op de lagere school.

Straffen!
Vroeger waren er verschillende soorten straffen. Bijvoorbeeld de pechvogel. (dat is een soort stoffige vogel, dat voelt aan als een bordveger).
De pechvogel gooide meester door de klas als je stout deed. Als de pechvogel op je eigen tafel kwam dan moest je naar de meester komen en de pechvogel terug geven.
En dan kreeg je klappen met de plak. Of de plak met ijzeren punten. De plak ziet er uit als een soort achterkant van een haarborstel.
De plak met ijzeren punten is hetzelfde als de gewone plak alleen zitten er ijzeren punten op.
Willemijn


1. De dorpsschool
Alle kinderen door elkaar, het was letterlijk een rommeltje in de dorpsschool.
De kinderen, tussen 3 en 10 jaar, zaten door elkaar in één ruimte. Ze kregen hoofdelijk onderwijs. Dat betekent dat ze niet allemaal tegelijk dezelfde les kregen.
De meester gaf de kinderen allemaal een aparte taak. Als ze die hadden gedaan, moesten ze terug naar de meester. Hij overhoorde de taak en gaf wat aanwijzingen.
Als de taak af was kregen de kinderen een nieuwe.
De kleine kinderen werden vaak geholpen door de oudere leerlingen.
Alle lesjes werden hardop geleerd. Je kunt je misschien wel voorstellen wat voor lawaai dat geweest moet zijn. Al die kinderen die hardop door elkaar heen praten.
Je kon de school al van ver horen!
Als een kind een tijd niet op school was geweest, ging hij gewoon verder waar hij gebleven was. Op de dorpsschool kon je dus niet blijven zitten.


Straffen
De schoolmeester had verschillende manieren om al die kinderen in toom te houden.
De schoolmeester mocht de kinderen slaan. Als hij zag dat iemand iets deed wat niet mocht, gooide hij de pechvogel naar hem toe. De kwajongen moest de pechvogel terugbrengen naar de meester en die stond al op hem te wachten met de plak.
Daarmee kreeg de jongen dan een paar flinke tikken op zijn hand.
Als iemand erg dom was geweest, werd hem het ezelsbord omgehangen.
Had hij iets heel ergs gedaan, bijvoorbeeld gelogen of gestolen, dan kreeg hij het schandbord om. Daarmee moest hij dan de hele dag blijven staan, zodat alle
kinderen hem konden zien.


Betalen voor school
De leerlingen betaalden de meester elke week schoolgeld. Als een kind een week niet naar school ging, hoefde hij ook geen schoolgeld te betalen. Vooral in de oogsttijd, als de dorpskinderen hun ouders op de akkers moesten helpen, gingen er weinig kinderen naar school. De meester verdiende dan heel weinig. Om in deze tijden toch voor zijn gezin te kunnen zorgen, had hij vaak een bijbaantje. Hij was bijvoorbeeld ook klokkenluider, schaapsheerder of doodgraver.


Geen aparte schoolgebouwen
Er waren geen aparte schoolgebouwen. De school kon in een leegstaande schuur zijn of in het huis van de meester. Het was er druk, donker en vies. Er was geen verlichting. De meester had een kaars of olielamp op zijn lessenaar staan. Het was voor veel scholen te duur om het hele lokaal te verlichten.
Omdat het in de winter minder lang licht is, waren de schooldagen korter dan in de zomer. In de winter was het ook erg koud op school, want er waren geen kachels.
Op sommige scholen brande in de winter een vuur. Daardoor was het wel warm, maar ook erg benauwd. De rook van het vuur bleef namelijk in de school hangen.
Na verloop van tijd kwamen er steeds meer klachten over die vieze, donkere scholen.
Vooral dokters wilden de scholen veranderen. Daarom kwamen ze met nieuwe ideeën om de scholen te verbeteren.


2. De school uit 1830

Nieuwe regels voor scholen
Als gevolg van al die nieuwe ideeën kwamen er nieuwe regels voor scholen.
Er moesten aparte gebouwen voor scholen worden gebouwd. De school mocht niet meer worden gehouden in een schuur of bij de meester thuis. De school moest een houten vloer hebben, want die was goed schoon te houden. Er moest een kachel zijn, met een schoorsteenpijp zodat de rook niet in het lokaal bleef hangen.
En er moesten grote ramen zijn die open konden. Door die ramen kwam ook meer licht. De scholen hadden nog niet gas of electrise lampen. Omdat olielampen of kaarsen vaak te duur waren, werd de school dus alleen verlicht door daglicht.
Al met al zag deze school er een stuk beter uit dan de dorpsschool!
De kinderen zaten nog steeds allemaal bij elkaar in één lokaal. Maar ze waren wel verdeeld in klassen. Er was en eerste, tweede en derde klas. Alle leerlingen van één klas kregen tegelijk dezelfde les. Dit werd klasikaal onderwijs genoemd.
In de eerst klas leerden de kinderen lezen. In de tweede klas leerden ze ook schrijven en rekenen. De kinderen schreven nog steeds op papier met een gansenveer, maar ook met een griffel op een lei. Op leien werden oefeningen gemaakt die niet bewaard hoefden te worden zoals schrijfoefeningen en rekensommen. Om de lei schoon te maken gebruikten de leerlingen een spons. Met een zeempje maakten ze de lei weer droog. Spons en zeem zaten in een sponzendoosje.
In de derde klas kregen de leerlingen niet alleen lezen, schrijven en rekenen. Ze kregen ook les in geschiedenis, aardrijkskunde en kennis der natuur (biologie).
Deze vakken werden in 1857 verplicht.

Lezen
De manier waarop de kinderen leerden lezen veranderde ook. In de dorpsschool leerden de kinderen lezen volgens de spelmethode. Ze moesten eerst alle letters van het alfabet uit hun hoofd leren. Daarna mochten ze oefenen met lettergrepen en kleine woordjes. Als dat goed ging, konden ze moeilijkere woorden lezen.
Dit is een voorbeeld van lezen met spelmethode: es-te-oo-ee-el=stoel
De kinderen leerden dus een woord lezen door eerst alle letters van het woord te spellen. De nieuwe manier om te leren lezen heette de klankmethode.
Een voorbeeld: ss-tuh-oe-ll= stoel
De kinderen leerden dus een woord lezen door eerst de klanken van de letters hardop te zeggen. Zo werd het veel gemakkelijker om woordjes te leren lezen.

Schoolplaten
Om de kinderen te laten kennismaken met hun school, dorp of stad werden er schoolplaten gebruikt. Aan de hand van de afbeeldingen op de schoolplaten kon de meester uitleggen. Deze manier van les geven werd ook wel aanschouwingsonderwijs genoemd. Aanschouwen is een ander woord voor kijken. Naast schoolplaten stonden ook opgezette dieren en modellen in de klas. Schoolplaten werden gebruikt bij het vak lezen. Er bestonden voor de vakken verschillende schoolplaten, over het leven op een boerderij tot een berglandschap. Wij kijken nu in de klas naar dia’s of een videofilm in plaats van schoolplaten.


3. De school uit 1910

Aparte klassen
De scholen uit het begin van de twintigste eeuw waren onderverdeeld in klassen.
Elke klas had nu een apart lokaal. Alle leerlingen kregen tegelijkertijd dezelfde les.
De leerlingen zaten in banken met z’n tweeën naast elkaar. Het klaslokaal zag er heel anders uit dan in 1830. Er waren gaslampen, zodat het lokaal de hele dag verlicht kon worden. Er waren ook meer ramen. Die hadden hoge vensterbanken, zodat de kinderen niet naar buiten konden kijken. De leerlingen mochten niet afgeleid worden door wat er buiten gebeurt. De ramen zaten altijd links. Zo kregen de kinderen genoeg licht om met de rechterhand te schrijven. Schrijven met links mocht niet. Als je dat toch deed werd die hand op je rug vastgebonden. Dan moest je wel met je rechter-hand schrijven. De kinderen schreven met een kroontjespen. Dit was een metalen pennetje in een vorm van een kroontje. Dit pennetje werd in een houten penhouder geklemt. In iedere schoolbank zat een inktpotje waar je de kroontjespen in moest dopen. De juf of meester vulde de inktpotten met inkt uit de inktfles.

Aap, noot, mies
Er was ook een nieuwe manier bedacht om te leren lezen en schrijven. Dat was het aap, noot, mies van meneer Hoogeveen. Bij de woordjes van het aap,noot,mies hoorde een vertelselplaat. Dit was een schoolplaat waarop alle woorden uit het rijtje voorkwamen. Er staat een aap op die een noot vasthoud. En Mies, de poes, loopt op de vensterbank. Bij de vertelselplaat kon de juf of meester verhalen vertellen.
Het aap, noot, mies… bestaat uit een rijtje woordjes die de kinderen al kenden uit de verhalen. In die woorden kwamen bijna alle letters uit het alfabet voor. Als de kinderen de woordjes konden lezen, mochten die kartonnen lettertjes op een leesplankje leggen. Doordat de kinderen op zo veel verschillende manieren de woordjes leerden, ging het veel sneller.


3. De school uit 1960

Vanaf de jaren 60 veranderde er veel, bijvoorbeeld over hoe de kinderen les kregen, welke vakken ze leerden en hoe de klas eruit zag.
De mensen vonden het belangrijk dat elk kind niet hetzelfde, maar als een individu werd behandeld. Ieder kind had dan ook zijn eigen tafeltje. Vaak zaten de kinderen niet meer in rijen, maar in groepjes.
Het was ook belangrijk dat elk kind evenveel kansen kreeg. Het mocht niet meer uitmaken of je ouders advocaat waren of in een fabriek werkten. Of ze uit nederland, turkije of een ander land kwamen. Als je goed kon leren, moest je naar de universiteit kunnen gaan. En wilde je automonteur worden, dan ging je gewoon naar de lagere technische school.
De lokalen waren heel licht. De ramen waren een stuk groter dan in 1930.
De kinderen konden naar buiten kijken, de vensterbanken waren niet meer zo hoog.
Er was nu niet alleen meer schoolradio, maar ook schooltelevisie. Dat werd op steeds meer scholen gebruikt. Sommige vakken kregen vanaf 1960 meer aandacht.
De vakken tekenen, handvaardigheid en muziek bestonden natuurlijk al, maar werden nu anders gegeven. Kinderen konden hun fantasie ook op schol gebruiken.
Er kwamen ook een paar nieuwe vakken bij, zoals drama en handvaardigheid.

Vivian


Straffen
Er zijn verschillende soorten straffen.
De straffen zijn roe, de plak, de ezels oren en het bord met ezel er op.
De roe is een bos takken, waarmee je vroeger op je blote billen werd geslagen.
De plak is een houten lepel waarmee je op je vingers werd geslagen.
Soms was de plak met ijzeren puntjes en soms ook niet.
De ezelsoren moest je op als je iets niet wist. Of het bord met ezel er op.
Er bestond ook een pechvogel als die naar je gegooid werd was je niet blij want dan kreeg je de plak.


Lezen
Vroeger las je met een leesplankje. Op dat leesplankje stonden woorden.
En boven de woorden was een plaatje van het woord.
Nu lezen we met boeken. Dat is heel anders dan vroeger.


In de klas
Vroeger moest je altijd recht zitten en je benen onder je stoel.
Je moest de tafels van 1 t/m 10 uit je hoofd kennen.
Verder moest je de tafels uit je hoofd kunnen opzeggen.
In de klas zat je met z’n drieën op een bank.
Dat was niet altijd even fijn.
Ook moest je altijd u tegen de meester zeggen.

Marc


ONGEVEER 75 JAAR GELEDEN

Er waren zes klassen.
Er was één juf en die had de klassen 1,2 en 3.
Er was een meester en die had de klassen 4,5 en 6.
Bij de juf kregen de meisjes meestal handwerk.
Bij de meester kregen de jongens meestal rekenen of tekenen. Het lag er aan of de meester in een goed humeur was of in een slecht humeur was. Ze kregen één keer in het jaar een schoolreisje. Je ging dan op de fiets en je moest één gulden meenemen.
Je ging naar een speeltuin. Je schreef met een kroontjespen.
In de eerste klas kreeg je een potlood en je schreef op bladen. Je kreeg taal en rekenen en tekenen. En in het tweede jaar kreeg je een inktpotje met een krootjespen. Je schreef in schriften.
Het inktpotje zat vast in de tafel. Je zat op banken en onder je kastje zat een soort kastje waar je je spullen in kon doen. Pas in de vierde klas kreeg je aarderijkskunde en geschiedenis. Als je straf kreeg kreeg je soms een tik met een linieaal. Of moest je in de hal gaan staan. Of in de hoek met je boeken in je handen gaan zitten.
Op zaterdag moest je ook naar school. Je had smiddags een kwartier vrij en sochtens een kwartier vrij. Je ging dan knikkeren of touwtje springen.

ONGEVEER 100 JAAR GELEDEN

Er waren zes klassen.
In een klein dorpje had de juf klas één en twee en drie. De meester had klas vier en vijf en zes. Bij de juf kregen de meisjes meestal handwerk. Bij de meester kregen de jongens meestal rekenen of gym. Het lag er aan of de meester in een goed humeur was of in een slecht humeur was. Je schreef met een griffel en je schreef op een lei. Je kon hele erge straf krijgen. Je kon de pechvogel naar je toe krijgen en dan kreeg je klappen op je vingers.
Of op je blote billen geslagen worden. Of je moest ezelsoren op. Of een bordje waar ezel op staat zodat iedereen kon zien dat je een ezel was. De ramen waren heel hoog zodat je niet naar buiten kon kijken. Je zat op banken waar je heel krap op zat. Ze hadden een kachel me kolen. Ze moesten ook wel eens in het kolenhok gaan zitten. En als ze te laat kwamen bij hun vader en moeder omdat ze straf hadden gekregen moesten ze ook nog straf krijgen van hun ouders!
Floris



Scholen over vroeger

Er waren aparte scholen voor jongens en meisjes. Er zaten dus geen jongens en meisje door elkaar in een klas.
Op de meisjesschool waren alleen maar jufvrouwen en op de jongensschool waren alleen maar meesters. Als je 4 was ging je naar een kleuterschool. Als je 6 jaar was ging je naar de basisschool. De lagere school duurde 6 jaar en had 6 klassen.
Nu zijn die twee scholen samen de basisschool.
Er was meestal maar 1 jufvrouw. Ze hadden rekenboekjes, taalboekjes, leesboekjes en schriften voor taal en schriften voor rekenen met ruitjes om cijfers in te schrijven.
Ze hadden geen voorjaarsvacantie wel hadden ze de herfstvacantie en kerstvakantie en paasvacantie en dan de grote vacantie.
Meisjes droegen altijd jurkjes en jongens hadden altijd broeken. En de kleren waren heel anders. Ze hadden jurkjes met lange mouwen en manteltjes en lange kousen.
Tessa