Effectieve instructie
Bij het aanbieden
van (nieuwe) leerstof is het geven van instructie een belangrijk aspect
van het onderwijsgedrag. Bestaan er 'effectieve' en 'minder effectieve'
manieren van instructie geven? Hoe moet instructie eruit zien? Waarop moet
je letten bij de beoordeling of je instructie tot het gewenste effect leidt?
De laatste jaren
is er veel onderzoek gedaan naar de samenhang tussen het functioneren van
leerkrachten en de prestaties van leerlingen. Een belangrijke conclusie
van recent onderzoek is: "Teachers do make a difference!".
Daar dacht men
zo'n 20 jaar geleden anders over: het milieu zou alles bepalend zijn voor
het leergedrag van de leerlingen. Nu blijkt dat het wel degelijk uitmaakt
hoe een leerkracht onderwijs geeft. Zij verschillen sterk in de soort en
de hoeveelheid vragen die ze stellen, in de tijd die ze besteden aan de
uitleg van nieuwe leerstof, in de hoeveelheid tijd die ze leerlingen zelfstandig
laten werken, in de wijze waarop ze de klas organiseren, etc.
In dit gedeelte
stellen we de vraag naar effectief instructiegedrag centraal. Dat wil zeggen:
welk instructiegedrag ontlokt aan leerlingen de beste prestaties? Hierbij
gaat het vooral om cognitieve leerprestaties bij de instrumentele leer-
en vormingsgebieden zoals deze worden vastgesteld door schooltoetsen.
Daarnaast zal
zijdelings nog een ander aspect aan de orde zijn, namelijk 'planning'.
Hieronder verstaan we kort gezegd de voorbereiding van alle onderwijsactiviteiten.
Planning is een heel belangrijk aspect van het onderwijsgedrag van de leerkracht,
zeker in een combinatieklas. Goed en succesvol onderwijzen vereist onder
andere zorgvuldige planning van alle instructiefasen van de les. Dit aspect
wordt verder in het deel 'klassenmanagement' nadrukkelijk besproken.
Onderzoeken hebben
duidelijkheid gegeven door effectieve gedragspatronen voor instructie te
categoriseren en onder te brengen in een instructiemodel. Dit basismodel
bestaat uit zes hoofdrubrieken:
Dit model wordt het
Directe Instructiemodel genoemd, omdat de uitvoering van het onderwijsproces
in belangrijke mate gecontroleerd wordt door de leerkracht. Dit wil niet
zeggen dat het directe instructiemodel niet interactief is. Dat is het
namelijk wel! De leerkracht dient juist bij de uitleg van nieuwe leerstof
de leerlingen actief bij de les te betrekken, bijvoorbeeld door het stellen
van veel vragen of het geven van korte opdrachten (zie het figuur hieronder).
Dit model blijkt
zeer effectief te zijn voor kinderen in achterstandssituaties. Deze kinderen,
die meestal niet beschikken over zelfregulerende studievaardigheden of
door een handicap weinig succeservaringen kennen op school, hebben veel
behoefte aan actieve instructie en begeleiding door de leerkracht. Daarnaast
echter kunnen ook leerlingen, die een relatieve ontwikkelingsvoorsprong
hebben, van hetzelfde model profiteren, wanneer zij de ruimte krijgen om
zelfstandig te werken na een relatief korte en gestructureerde instructie.
Dit instructiemodel
bevat mogelijk weinig nieuws. Veel leerkrachten zullen wellicht denken
dat zij een dergelijk schema al uit eigen ervaring bij het lesgeven hanteren.
De kern echter is de feitelijke invulling van de zes hoofdcategorieën
van instructie-activiteiten. Binnen elke categorie zijn zeer veel variaties
mogelijk. Het blijkt bijvoorbeeld effectief te zijn om bij het begin van
de les aan te geven wat er behandeld gaat worden en wat het doel van de
les is, en om bij de presentatie de leerstof steeds in kleine stapjes aan
te bieden.
Het Directe Instructiemodel
wordt uitgewerkt in twee richtingen:
-
Het instructiemodel
voor uitvoerend handelen met een sterk sturende rol van de leerkracht;
-
Het instructiemodel
voor strategisch handelen met een minder sturende rol van de leerkracht
en waarbij de leerlingen meer verantwoordelijkheid dragen voor het
eigen leren.
In het hiernavolgend
overzicht zijn de verschillen tussen uitvoerend handelen en strategisch
handelen kort aangegeven en worden zij vervolgens afzonderlijk besproken:
Het instructiemodel
voor UITVOEREND HANDELEN
Met 'handelen'
wordt in het onderwijs bedoeld de doelgerichte motorische of mentale/ cognitieve
operaties. Een handeling werkt naar een doel toe: een eindproduct of eindresultaat.
Het Directe Instructiemodel voor uitvoerend handelen is het meest geschikt
voor goed gestructureerde leerstofgebieden, waarbij het doel is het aanleren
van (uitvoerings)vaardigheden. Dit model bestaat uit de volgende
aspecten:
1. DAGELIJKSE
TERUGBLIK
-
een samenvatting
van de voorgaande stof om de leerlingen snel bij het nieuwe gedeelte van
de stof te betrekken en ze ervoor te motiveren;
-
bespreek het (huis)werk
en sta nog even stil bij eventuele moeilijkheden of veel voorkomende fouten;
-
haal de benodigde
voorkennis op die nodig is voor het begrijpen van de nieuw aan te bieden
leerstof.
2. PRESENTATIE
-
geef vooraf de lesdoelen
en/of lesoverzicht en probeer de motivatie van de leerlingen
op die manier positief te beïnvloeden;
-
onderwijs in kleine
stappen en laat die onmiddellijk volgen door inoefening;
-
geef veel voorbeelden
/ demonstraties / illustraties om de leerlingen zo veel mogelijk te laten
begrijpen wat die doet, zodat die in staat is het geleerde in nieuwe situaties
toe te passen;
-
gebruik heldere taal
(zeg: "vlinders en bijen" i.p.v. "niet alle insekten");
-
ga na of de leerlingen
de leerstof begrijpen door het stellen van productvragen (het antwoord
is een reproductie van feiten) en procesvragen ('waarom' -vragen richten
zich op een uitleg). Bedenk hierbij dat de antwoorden op productvragen
niet altijd een goede indicatie zijn voor 'het begrijpen van de leerstof'.
-
vermijd uitweidingen
of niet ter zake doende afdwalingen;
-
geef aan het einde
van de presentatiefase een samenvatting van de hoofdzaken;
3. (IN)OEFENING
-
laat de leerlingen
onder nauwgezette begeleiding oefenen en geef voortdurend feedback (om
de paar minuten) over hun antwoorden, waarbij het belangrijk is dat de
leerlingen horen dat het goed gaat of horen waarom iets fout is;
-
geef korte en duidelijke
opdrachten die door alle leerlingen gemaakt kunnen worden en die direct
aansluiten bij datgene wat is uitgelegd tijdens de presentatiefase;
-
stel veel vragen
(effectieve leerkrachten: 24 vragen per lesuur van 50 minuten);
-
zorg dat alle leerlingen
betrokken blijven en laat 28 leerlingen dus niet passief toekijken hoe
2 leerlingen de sommen op het bord maken;
-
zorg voor hoge successcores
(75 - 80% is prima; <50% werkt ontmoedigend; >80 % werkt verveling in
de hand);
-
ga zoveel mogelijk
door met oefenen tot de leerlingen de stof onder de knie hebben;
4. INDIVIDUELE VERWERKING
-
zorg dat de leerlingen
onmiddellijk beginnen en laat ze hun werktijd dus efficiënt gebruiken;
-
zorg dat de inhoud
gelijk is aan die van de voorafgaande lesfase (zie: 3);
-
zorg voor een ononderbroken
oefenfase. In 15 - 20' kunnen leerlingen voldoende taken uitvoeren om een
bepaalde bedrevenheid te bereiken;
-
laat de leerlingen
eventueel elkaar helpen;
-
laat de leerlingen
weten dat hun werk gecontroleerd wordt, zodat zij zelf hun eigen werk serieus
nemen;
-
kijk het werk van
de leerlingen zo snel mogelijk na.
5. PERIODIEKE TERUGBLIK
-
bijvoorbeeld elke
maandag of na elk afgerond leerstofonderdeel.
6. 1 - 4 TERUGKOPPELING
-
geef vaak en regelmatig
feedback
-
corrigeer fouten
onmiddellijk
-
geef vooral procesfeedback:
waarom is iets goed of fout?
-
geef veel aanmoediging.
Het Instructiemodel
voor STRATEGISCH HANDELEN
Dit model is erop
gericht om uitvoerende handelingen van leerlingen beter te laten verlopen.
Een scherpe grenslijn tussen beide instructiemodellen is niet te trekken.
Er is eerder sprake van een vloeiende overgang.
Een leerling
handelt strategisch als hij een uitvoerende handeling voorbereidt door
er eerst over te denken en er later op te reflecteren en te anticiperen
op de uitkomst van die handeling. De instructie van de leerkracht is dan
vooral procesgericht. De leerling krijgt dus tegelijkertijd aanwijzingen,
instructie, voorbeelden over het gebruik van zelfstandige denkstrategieën
en van probleemoplossingsvaardigheden. Met andere woorden: bij deze aanpak
is het van belang dat de leerlingen zelf hun leergedrag in de gaten houden
en (bij)sturen.
Complexe leertaken
richten zich meestal op kennis en vaardigheden, waarbij een beroep moet
worden gedaan op hogere cognitieve denkprocessen: hoofd- en bijzaken onderscheiden;
schatten; samenvatten; studerend lezen; het opzetten van een experiment;
het vertalen van expressie-activiteiten, enz. Voor deze leertaken wordt
het instructiemodel voor uitvoerend handelen uitgebreid met een aantal
aanvullingen.
De componenten
uit het model voor uitvoerend handelen worden telkens (afgedrukt met een
kleine letter) in herinnering geroepen, waarna de aanvullingen voor het
model voor strategisch handelen worden besproken.
1. DAGELIJKSE
TERUGBLIK
-
geef een samenvatting
van de voorgaande stof
-
bespreek het werk
-
haal de benodigde
voorkennis op
-
onderwijs, indien
nodig, deze voorkennis
-
aanvulling: geen
2. PRESENTATIE
-
geef lesdoelen en/of
lesoverzicht
-
onderwijs in kleine
stappen
-
geef concrete voorbeelden
-
gebruik heldere taal
-
ga na of de leerlingen
de stof begrijpen
-
aanvulling:
-
maak gebruik van
een handelingswijzer, die gezien kan worden als een 'brug' tussen de voorkennis
van de leerlingen en de kennis/vaardigheid die de leerkracht de leerling
wil bijbrengen. Zo krijgen de leerlingen een houvast waardoor ze tijdens
de oefenfase goed met de leerstof kunnen werken;
-
doe de nieuw te leren
vaardigheid voor door bijvoorbeeld het gebruik van een handelingswijzer
te demonstreren:
-
denk hardop, zodat
de leerlingen het leerproces precies kunnen volgen. Als de leerkracht nu
uitleg geeft, onttrekt het denkproces zich niet aan de opmerkzaamheid van
de leerling;
-
anticipeer op moeilijkheden,
waarbij bedoeld wordt dat de leerkracht er altijd naar moet streven bepaalde
problemen vóór te zijn. Het gebruik van slechte voorbeelden
zal bij zwakke leerlingen eerder tot verwarring leiden;
-
oefen met de leerlingen
na elk onderdeel van de presentatie;
-
vergroot stapsgewijs
de moeilijkheidsgraad;
3. BEGELEIDE (IN)OEFENING
-
laat de leerlingen
onder begeleiding oefenen
-
geef korte en duidelijke
opdrachten
-
stel veel vragen
-
zorg voor hoge successcores
-
oefen tot (bijna)
alle leerlingen de stof onder de knie hebben
-
aanvulling:
-
maak gebruik van
de handelingswijzers om startproblemen bij het oefenen snel op te kunnen
lossen;
-
maak gebruik van
half afgemaakte voorbeelden, bijv. om de moeilijkheidsgraad stapsgewijs
te vergroten;
-
bewaak de geleidelijke
toename van de moeilijkheidsgraad;
-
pas de techniek van
het rolwisselend lesgeven toe door de leerlingen zich te laten verplaatsen
in de rol van leerkracht. Het is belangrijk dat de verantwoordelijkheid
voor het leerproces geleidelijk en uiteindelijk geheel bij de leerling
zelf komt te liggen;
-
laat de leerlingen
in kleine groepjes of tweetallen werken, zodat ze leren samenwerken, leren
elkaar te helpen en te ondersteunen bij het uitvoeren van opdrachten
-
verminder geleidelijk
de ondersteuning;
4. INDIVIDUELE VERWERKING
-
zorg ervoor dat de
leerlingen onmiddellijk beginnen
-
de inhoud van de
taken komt overeen met de leerstof uit de vorige fasen
-
zorg voor een ononderbroken
lesfase
-
laat de leerlingen
elkaar helpen
-
laat de leerlingen
weten dat hun werk gecontroleerd wordt
-
aanvulling:
-
verminderen van de
ondersteuning door de leerkracht, omdat het in deze fase de bedoeling is
dat de leerlingen zelfstandig (dus: zonder hulp van leerkracht en medeleerlingen)
kunnen werken met de leerstof;
-
vergroten van de
toepassingsmogelijkheden (transfer) door te oefenen met gevarieerd materiaal;
5. PERIODIEKE TERUGBLIK
-
bijvoorbeeld elke
maandag of na elk afgerond leerstofonderdeel
-
aanvulling: geen
6. 1 - 4 TERUGKOPPELING
-
geef vaak en regelmatig
feedback
-
corrigeer fouten
onmiddellijk
-
geef vooral procesfeedback
-
geef veel aanmoediging
-
aanvulling:
-
maak goed gebruik
van controle- of evaluatielijsten.
Als voorbeeld
voor het aanleren van strategische handelen dient de opdracht die erop
neerkomt m.b.v. de techniek '(mind)mapping' een studietekst aan te pakken.
Deze methode maakt gebruik van schemata die bij de leerlingen al aanwezig
zijn. Schemata zijn actieve kenniseenheden, maar zij 'gedragen' zich niet
als rigide systemen: ze zijn veranderbaar.
Enkele functies
van schemata zijn:
- een schema
staat open voor nieuwe informatie;
- een schema
helpt de leerling dát te lezen wat belangrijk is;
- een schema
helpt bij het onderscheiden van hoofd- en bijzaken;
- een schema
is een steun voor het onthouden van gegevens.
Bij het opnemen
van informatie is het van belang dat een leerling nieuwe kennis verbindt
aan de kennis die in de cognitieve schemata reeds aanwezig is. Wanneer
de leerkracht de techniek van '(mind)mapping' hanteert, kan hij dit proces
bij de leerling laten plaatsvinden.
bron:
- studietekst; Aanbod, interactie, organisatie (periode 5)
- Effectieve instructie en doelmatig klassenmanagement (periode 7)