De management & instructieschaal (MIS)
 
 

Informatie
Met behulp van dit instrument kan een leerkracht geobserveerd worden op klassenmanagement. Het is gebaseerd op de principes van de effectieve instructie. Na de test volgt een uitleg over de normering van de 5-puntsschaal.

Argumenten
Voor de gecoachte: je krijgt normen voor ‘goed’ onderwijs.
Voor de coach: je kunt heel resultaatgericht observeren

Aanwijzingen voor gebruik:
Voor de gecoachte:
Lees eerst de uitleg verderop. Scoor daarna jezelf met behulp van de 5-puntsschaal
Formuleer dan voor jezelf en de coach een leervraag: "Dit en dat lukt mij niet zo goed, wil je daar eens naar kijken?"
Gebruik de MIS als middel om te reflecteren over een langere periode (maanden – jaren). Denk er steeds bij: "Zo ben ik." De MIS bestaat uit 31 items met elk een 5-puntsschaal. Probeer een eerlijk beeld van jezelf te schetsen. Bedenk dat het enige doel kwaliteitsverbetering is. Beoordeling door een ander is niet ter sprake.

Voor de coach
De gecoachte heeft een leervraag gesteld, waarop straks gecoacht gaat worden. Het is van belang, dat de coaching slechts toegespitst wordt op die leervraag.
 
01. Leraar maakt de doelen duidelijk 1 2 3 4 5
02. Leraarmaterialen liggen klaar 1 2 3 4 5
03. Materiaal is duidelijk opgeborgen 1 2 3 4 5
04. Materiaal is goed bereikbaar 1 2 3 4 5
05. Er is voldoende materiaal aanwezig 1 2 3 4 5
06. De opdrachten zijn duidelijk 1 2 3 4 5
07. Leraar houdt leerlingen bij de les 1 2 3 4 5
08. Tempo van de les is aanvaardbaar 1 2 3 4 5
09. Les wordt nauwelijks onderbroken 1 2 3 4 5
10. De uitleg is duidelijk 1 2 3 4 5
11. Begeleiding tijdens instructie 1 2 3 4 5
12. Eisen van werk worden benadrukt 1 2 3 4 5
13. Looproutes zijn goed georganiseerd 1 2 3 4 5
14. Lesgebeuren is goed zichtbaar 1 2 3 4 5
15. Leraar kan klas goed overzien 1 2 3 4 5
16. Les afgestemd op niveau leerlingen 1 2 3 4 5
17. Instructie en concentratie goed 1 2 3 4 5
18. Verwerking en concentratie goed 1 2 3 4 5
19. Leraar stopt ongewenst gedrag (instructie) 1 2 3 4 5
20. Leraar stopt ongewenst gedrag (verwerking) 1 2 3 4 5
21. Leraar is consequent 1 2 3 4 5
22. Leraar bekrachtigt gewenst gedrag 1 2 3 4 5
23. Weinig of geen ordeverstoring 1 2 3 4 5
24. Leraar stopt ordeverstoring snel/doeltreffend 1 2 3 4 5
25. Goede, plezierige werksfeer 1 2 3 4 5
26. Veel interactie tijdens presentatie 1 2 3 4 5
27. Soepele overgangen 1 2 3 4 5
28. Er wordt veel leerstof verwerkt 1 2 3 4 5
29. Leerlingen worden verantwoordelijk gesteld 1 2 3 4 5
30. Leerlingen helpen elkaar 1 2 3 4 5
31. Groepen storen elkaar niet 1 2 3 4 5


Praktijkvoorbeeld bij een muziekles van Monique
 

Uitleg van de MIS-lijst
 
    1. DE LERAAR MAAKT DE DOELEN DUIDELIJK
1 0% De leraar maakt in het geheel niet duidelijk wat in de les aan de orde komt.
2 25%  
3 50% De leraar maakt gedeeltelijk duidelijk, wat aan de orde komt.
4 75%  
5 100% De leraar maakt voor iedereen duidelijk wat in de les aan de orde komt.
   
    2. DE LERAARMATERIALEN LIGGEN KLAAR.
1 0% De leraar moet de les zeer vaak onderbreken om spullen te zoeken of te halen (leermiddelen, werkblaadjes, bordkrijt enz.)
2 25%  
3 50% De leraar moet de les een aantal keren onderbreken om materiaal te zoeken of te halen.
4 75%  
5 100% De leraar hoeft de les niet te onderbreken. De materialen liggen voor de les klaar op goed bereikbare plaatsen. Ze kunnen direct worden gebruikt of ingezet en zijn in voldoende mate aanwezig.
   
    3. HET MATERIAAL IS DUIDELIJK OPGEBORGEN.
1 0% De materialen zijn voor de overgrote meerderheid van de leerlingen niet duidelijk opgeborgen. De leerlingen moeten vaak langere tijd zoeken.
2 25%  
3 50% Voor een gedeelte van de leerlingen zijn de materialen niet duidelijk opgeborgen.
4 75%  
5 100% Voor alle leerlingen zijn de materialen zeer duidelijk opgeborgen. Het systeem is duidelijk en het kost de leerlingen nauwelijks tijd de materialen te zoeken.
   
    4. HET MATERIAAL IS GOED BEREIKBAAR.
1 0% De leerlingen moeten vaak andere leerlingen of groepen leerlingen storen om bij de materialen te komen.
2 25%  
3 50% Een gedeelte van de materialen is goed bereikbaar.
4 75%  
5 100% De materialen zijn voor iedereen goed bereikbaar. Om materialen te halen hoeven andere leerlingen of groepen leerlingen niet gestoord te worden.
   
    5. ER IS VOLDOENDE MATERIAAL AANWEZIG.
1 0% Regelmatig moeten leerlingen op andere leerlingen wachten voor het materiaal bereikbaar is.
2 25%  
3 50% Het materiaal is deel in (on)voldoende mate aanwezig.
4 75%  
5 100% Het benodigde materiaal is voor iedereen in voldoende mate aanwezig.
   
    6. DE OPDRACHTEN ZIJN DUIDELIJK.
1 0% Het blijkt dat de leerlingen met veel vragen blijven zitten na de opdracht. De meeste leerlingen kunnen niet direct beginnen. De opdracht is onduidelijk. De aanwijzingen zijn onduidelijk (welk materiaal, groepsindeling)De afspraken en procedures zijn onduidelijk (de tijd; overleggen of niet; gebruik documentatiecentrum; wat te doen als je klaar bent etc.).
2 25%  
3 50% Een gedeelte van de leerlingen kan aan het werk. Toch blijft een aantal leerlingen met vragen zitten zoals bij (1) geformuleerd.
4 75%  
5 100% Opdrachten, aanwijzingen, afspraken en procedures zijn voor alle leerlingen duidelijk.
   
    7. DE LERAAR HOUDT DE LEERLINGEN BIJ DE LES.
1 0% De leraar begint met uitleg of instructie, terwijl een groot aantal leerlingen nog niet zo ver is. Deze zoeken nog spullen of lopen rond. De leraar geeft geen enkel " signaal" waaruit de leerlingen het gewenste gedrag kunnen opmaken. De leraar maakt geen gebruik van signalen zoals genoemd in (5).
2 25%  
3 50% De leraar begint terwijl enkele leerlingen nog niet zo ver zijn, of geeft weinig/ onduidelijke signalen om niet betrokken leerlingen bij de les te betrekken.
4 75%  
5 100% De leraar begint pas met uitleg of instructie wanneer alle leerlingen aandachtig zijn. Bovendien laat de leraar merken dat hij snel wil beginnen. Hij maakt – indien nodig – gebruik van signalen als:

- "Ja, kunnen we beginnen?"
- "Laten we eens naar Jan luisteren".
- "Ik stel straks een vraag, dus let op".
- Vingerknippen.
- "Theo, ben je ook zover?" etc.

   
    8. HET TEMPO VAN DE LES IS AANVAARDBAAR.
1 0% Het tempo van de les is veel te hoog of veel te laag. Een groot aantal leerlingen moet "afhaken" of verveelt zich.
2 25%  
3 50% Het tempo is te hoog of te laag.
4 75%  
5 100% De "lesgang" vindt plaats in een aanvaardvaar tempo. Niet zo hoog dat een aantal leerlingen afhaakt en niet zo laag dat een aantal leerlingen zich verveelt.
   
    9. DE LES WORDT NAUWELIJKS ONDERBROKEN.
1 0% De les wordt voortdurend onderbroken. Bijvoorbeeld: de leraar laat "zijn instructiegroep" vaak wachten om in een andere groep aanwijzingen te geven.
2 25%  
3 50% De les wordt enkele keren onderbroken
4 75%  
5 100% De ‘lesgang’ wordt niet verstoord door langdurige overgangen, afleiding, onnodige opmerkingen, etc.
   
    10. DE UITLEG IS DUIDELIJK
1 0% De uitleg, de bijbehorende vragen etc. zijn onsamenhangend. Er worden geen goede voorbeelden gegeven. De leraar springt "van de hak op de tak". De leerlingen blijven zitten met veel onduidelijkheden.
2 25%  
3 50% De uitleg is niet geheel duidelijk
4 75%  
5 100% De uitleg, instructie, de gestelde vragen worden in een samenhangend geheel gepresenteerd. Er worden duidelijke voorbeelden gegeven. De leerlingen geven er blijk van dat ze de uitleg kunnen volgen.
   
    11. BEGELEIDING TIJDENS INSTRUCTIE
1 0% Van begeleiden is geen sprake tijdens de verwerking. De leraar zit bijvoorbeeld aan zijn lessenaar, of geeft uitleg aan een andere groep.
2 25%  
3 50% Van echte begeleiding is slechts gedeeltelijk sprake.
4 75%  
5 100% De leraar begeleidt de leerlingen nauwgezet. Leerlingen met moeilijkheden worden geholpen.
   
    12. DE EISEN VAN WERK WORDEN BENADRUKT
1 0% De leraar stelt geen expliciete eisen waaraan het werk moet voldoen. Of stelt deze eisen "en passant" tijdens de verwerking, waardoor een aantal leerlingen de boodschap zeker niet ontvangt.
2 25%  
3 50% De leraar vermeldt wel werkeisen of normen maar doet dit niet zo expliciet dat ze door iedereen worden opgenomen.
4 75%  
5 100% Heel duidelijk wordt benadrukt waaraan het werk moet voldoen, zoals netheid, "beter goed dan veel" etc. De leraar stelt deze eisen ook op de juiste momenten, bv. Voordat de leerlingen beginnen.
   
    13. DE LOOPROUTES ZIJN GOED GEORGANISEERD
1 0% De klas is zo ingedeeld dat de leerlingen elkaar storen wanneer in verschillende groepen verschillende activiteiten plaatsvinden
2 25%  
3 50% De klas is zo ingericht dat de leerlingen tijdens een aantal activiteiten ongestoord kunnen werken.
4 75%  
5 100% De klas is zo ingericht dat de leerlingen uit de verschillende groepen elkaar niet kunnen hinderen of storen bij verschillende activiteiten. Bijvoorbeeld, een leerling van de ene groep kan tijdens het zelfstandig werken de benodigde spullen halen zonder leerlingen van de andere groep te storen.
   
    14. HET LESGEBEUREN IS GOED ZICHTBAAR.
1 0% Veel leerlingen zitten zo dat zij gedeelten van de les niet goed kunnen volgen.
2 25%  
3 50% Enkele leerlingen zitten zo dat zij gedeelten van de les niet goed kunnen volgen.
4 75%  
5 100% Alle leerlingen zitten zo dat zij tijdens alle activiteiten het "geheel" kunnen volgen. Ze kunnen de leraar en het bord goed zien.
   
    15. DE LERAAR KAN KLAS GOED OVERZIEN.
1 0% Het komt vaak voor dat een groot gedeelte van de leerlingen door de opstelling van de leraar onttrokken is aan zijn zicht. Bijvoorbeeld, de leraar helt een leerling. Hij doet dit zo dat hij de rest van de klas niet kan zien.
2 25%  
3 50% Een aantal leerlingen is aan het zicht van de leraar onttrokken.
4 75%  
5 100% De leraar kan door zijn opstelling de gehele klas goed overzien. Ook de leerlingen die niet tot zijn instructiegroep behoren. (Bijna) de gehele les is dit het geval.
   
    16. DE LES IS AFGESTEMD OP HET NIVEAU VAN DE LEERLINGEN.
1 0% De leerlingen moeten regelmatig de leraar of een medeleerling raadplegen. De leerlingen geven blijk van te moeilijke opgaven of te moeilijke instructie.
2 25%  
3 50% Een aantal leerlingen geeft blijk dat de opgaven voor hen te moeilijk zijn.
4 75%  
5 100% De leerlingen geven blijk dat de opdrachten of instructie duidelijk zijn. Bijvoorbeeld, de meeste leerlingen werken goed door, of de leerlingen komen tot veel goede antwoorden op vragen van de leraar aan het eind van de verwerking of tijdens de instructie.
   
    17. DE INSTRUCTIE EN CONCENTRATIE ZIJN GOED
1 0% De leraar weet de concentratie van de leerlingen niet goed in te schatten. De leerlingen tonen ongeconcentreerd gedrag.
2 25%  
3 50% Niet altijd weet de leraar de concentratie van de leerlingen goed in te schatten.
4 75%  
5 100% De leraar weet de tijd die besteed wordt aan de verschillende onderdelen zeer goed in te schatten. Hij/zij varieert veel en weet op het juiste moment te stoppen. De leerlingen zijn geconcentreerd bezig. 
   
    18. DE VERWERKING EN CONCENTRATIE ZIJN GOED.
1 0% De leraar weet de concentratie van leerlingen niet goed in te schatten. De leerlingen tonen ongeconcentreerd gedrag.
2 25%  
3 50% Niet altijd weet de leraar de concentratie van de leerlingen goed in te schatten.
4 75%  
5 100% De leraar weet de tijd die besteed wordt aan de verschillende onderdelen zeer goed in te schatten, hij/zij varieert veel en weet op het juiste moment te stoppen. De leerlingen zijn geconcentreerd bezig.
   
    19. DE LERAAR STOPT ONGEWENST GEDRAG (INSTRUCTIE).
1 0% De leraar maakt zelden of nooit opmerkingen over niet-oplettend gedrag, terwijl dit wel nodig zou zijn. De leraar merkt het niet-oplettend gedrag niet op, of hij merkt het wel op, maar grijpt niet in.
2 25%  
3 50% Niet altijd stopt de leraar niet-oplettend gedrag, terwijl dit wel nodig zou zijn.
4 75%  
5 100% De leraar is zeer alert op niet-oplettend gedrag. Hij laat dit merken en gaat op het juiste moment over tot opmerkingen of "actie" en stoort hierbij de les zo weinig mogelijk.
   
    20. DE LERAAR STOPT ONGEWENST GEDRAG (VERWERKING)
1 0% De leraar maakt zelden of nooit opmerkingen over niet-oplettend gedrag, terwijl dit wel nodig zou zijn. De leraar merkt het niet-oplettend gedrag niet op, of hij merkt het wel op, maar grijpt niet in.
2 25%  
3 50% Niet altijd stopt de leraar niet-oplettend gedrag, terwijl dit wel nodig zou zijn.
4 75%  
5 100% De leraar is zeer alert op niet-oplettend gedrag. Hij laat dit merken en gaat op het juiste moment over tot opmerkingen of "actie" en stoort hierbij de les zo weinig mogelijk.
     
    21. DE LERAAR IS CONSEQUENT
1 0% De leraar is zeer inconsequent. De ene leerling wordt aangesproken m.b.t. zijn gedrag, de andere leerling, die hetzelfde gedrag vertoont, niet. Of een bepaald gedrag wordt afgekeurd, terwijl een soortgelijk gedrag wordt toegestaan.
2 25%  
3 50% De leraar is niet helemaal consequent.
4 75%  
5 100% De leraar is zeer consequent. Er worden geen uitzonderingen gemaakt tussen de regels of tussen leerlingen (tenzij de leraar de leerling de uitzondering verduidelijkt).
     
    22. DE LERAAR BEKRACHTIGT GEWENST GEDRAG
1 0% De leraar laat uit niets blijken, dat hij goed gedrag, leervorderingen, goede antwoorden, goede vragen etc. kan waarderen.
2 25%  
3 50% De leraar laat een aantal keren blijken dat hij goed gedrag etc. kan waarderen.
4 75%  
5 100% De leraar weet goed in te schatten, wanneer positieve bekrachtiging gewenst is en maakt hiervan dan ook een goed gebruik. We bedoelen hier dus niet dat de leraar de gehele les veelvuldig prijst, maar veel meer of hij prijst wanneer dit nodig is.
     
    23. ER IS WEINIG OF GEEN ORDEVERSTORING.
1 0% Er is sprake van veel ordeverstoring in de klas.
2 25%  
3 50% Er is een aantal keren sprake van ordeverstoring.
4 75%  
5 100% Er is niet of nauwelijks sprake van ordeverstoring.
     
    24. DE LERAAR STOPT ORDEVERSTOREND GEDRAG SNEL/ DOELTREFFEND.
1 0% Ordeverstorend gedrag blijft en/of escaleert. De leraar blijkt niet goed in staat het gedrag te stoppen.
2 25%  
3 50% Het ordeverstorend gedrag wordt niet helemaal doeltreffend gestopt.
4 75%  
5 100% Ordeverstorend gedrag wordt snel gestopt en de lesgang wordt hierbij nauwelijks beïnvloed.
     
    25. ER HEERST EEN GOEDE, PLEZIERIGE WERKSFEER.
1 0% Veel leerlingen stellen de taken ter discussie, protesteren, maken hun werk niet af. Er heerst geen coöperatieve sfeer.
2 25%  
3 50% Deels, een aantal leerlingen klaagt, protesteert etc. Er is spraken van een redelijke mate van cohesie en coöperatieve sfeer.
4 75%  
5 100% De klas geeft blijk van acceptatie van opgedragen taken. De vragen en opmerkingen van de leerlingen zijn niet gericht op het ter discussie stellen van de opdracht, maar met het doel onduidelijkheden weg te nemen om de opdracht beter te kunnen volbrengen. Er is sprake van cohesie en een coöperatieve sfeer.
     
    26. ER IS VEEL INTERACTIE TIJDENS DE PRESENTATIE.
1 0% Er is geen participatie door leerlingen tijdens de presentatie/ uitleg-fase van de les. Nadruk ligt op doceren.
2 25%  
3 50% Nu en dan is er sprake van participatie gedurende de les.
4 75%  
5 100% Het gedrag van de leraar tijdens de presentatie/uitleg ontlokt een hoge mate van participatie door de leerlingen. Veel vragen – veel antwoorden.
     
    27. SOEPELE OVERGANGEN.
1 0% De overgangen tussen de lesonderdelen duren lang en/of gaan gepaard met veel onrust. Het duurt lang voor de nieuwe activiteit is gestart.
2 25%  
3 50% De overgangen verlopen niet altijd even soepel.
4 75%  
5 100% De overgangen verlopen zeer soepel, snel en doelmatig. De nieuwe activiteiten kunnen snel worden gestart.
     
    28. ER WORDT VEEL LEERSTOF VERWERKT.
1 0% Erg weinig. De leraar behandelt veel minder leerstof dan mogelijk zou zijn.
2 25%  
3 50% Gematigd. Op momenten wordt veel behandeld. Op andere momenten wordt weinig behandeld in vergelijking tot wat mogelijk is.
4 75%  
5 100% De leraar behandelt opvallend veel leerstof tijdens de les: groot aantal voorbeelden, groot aantal vragen en problemen wordt behandeld, veel nieuwe leerstof etc. Dit alles in vergelijking tot wat mogelijk is. Dus de leerlingen kunnen het aan.
     
    29. DE LEERLINGEN WORDEN VERANTWOORDELIJK GESTELD.
1 0% De leerlingen worden niet verantwoordelijk gesteld voor hun werk. Er is geen sprake van een controle op het werk van de leerlingen. Niet na de verwerking of het zelfstandig werken en ook niet na de instructie/uitleg,
2 25%  
3 50% De leraar stelt de leerlingen een aantal keren verantwoordelijk voor hun werk.
4 75%  
5 100% De leerlingen weten dat ze verantwoordelijk worden gesteld voor hun werk en worden ook verantwoordelijk gesteld. De leraar controleert hun werk en stelt vragen. Hij doet dit consequent tijdens en na de instructie en na de verwerking.
     
    30. DE LEERLINGEN HELPEN ELKAAR.
1 0% Leerlingen zoeken geen hulp bij elkaar en leggen elkaar niets uit.
2 25%  
3 50% Er is soms sprake van het elkaar uitleggen en helpen.
4 75%  
5 100% Leerlingen helpen elkaar regelmatig tijdens het zelfstandig werken. Wanneer leerlingen hulp nodig hebben kunnen ze naar medeleerlingen stappen.
     
    31. DE GROEPEN STOREN ELKAAR NIET. 
1 0% De verschillende (jaar)groepen storen elkaar regelmatig. Wanneer verschillende activiteiten in verschillende groepen plaatsvinden, leiden de groepen elkaar regelmatig af.
2 25%  
3 50% Een aantal keren storen de (jaar)groepen elkaar wanneer verschillende activiteiten plaatsvinden.
4 75%  
5 100% De verschillende (jaar)groepen hebben geen storende invloed op elkaar wanneer er verschillende activiteiten tegelijkertijd plaatsvinden.