Taakgerichte leertijd
 

Onder taakgerichte leertijd verstaan we de tijd die leerlingen daadwerkelijk bezig zijn met de opgedragen taken.
Het gebeurt in een klas regelmatig dat de leerlingen niet taakgericht werken. Als leerkracht doe je er alles aan om kinderen met plezier te laten werken aan hun opdrachten. Toch kunnen veel kinderen ruim een uur bezig zijn geweest met rekenen, maar uiteindelijk niet productief gewerkt hebben.
Wat hebben ze dan gedaan in dat uur?

Taakgerichte leertijd bepaalt in belangrijke mate de hoogte van de leerprestaties. Op dit punt bestaan er grote verschillen tussen klassen; uit onderzoek blijkt dat de taakgerichte leertijd per klas kan verschillen van 45 tot 89 procent. Een uur rekentijd kan dus uitmonden in 27-53 minuten daadwerkelijke bestede tijd. Per week is dat een verschil van 2 uur. De gevolgen voor de leereffecten laten zich niet moeilijk raden.
 

Overzicht van de besteding van onderwijstijd (uit: Veenman)

Met name het managementgedrag van de leerkacht speelt hierbij een grote rol, maar ook de leerstof (hoeveelheid, afstemming op het niveau van de leerling, afstemming op het doel) en succeservaringen van de leerlingen mogen niet onderschat worden.
In dit gedeelte wordt dit thema geanalyseerd en wordt geleerd hoe gebruik gemaakt kan worden van eenvoudige observatieschema's. Daarnaast wordt aangegeven hoe een leerkracht de besteding van leertijd in de eigen klas kan bepalen.
 

Hoe komt het dat er grote verschillen tussen klassen en tussen leerlingen optreden en wat is daarbij de invloed van de leerkracht?
Wanneer leerlingen willen leren, moeten zij taakgericht gedrag vertonen. Een hoge taakgerichtheid is geen doel op zich, maar wordt altijd gerelateerd aan 'leren'. In recente onderzoeken probeert men die vraag te beantwoorden hoe het komt dat er grote verschillen tussen klassen en tussen leerlingen optreden. Wat is daarin bijvoorbeeld de invloed van de leerkracht?

In ieder geval is het van groot belang dat de leerkracht enig zicht krijgt op het taakgericht gedrag van zijn of haar leerlingen. Daartoe kan die zich bedienen van de techniek van de systematische observatie van de taakgerichte leertijd. Echter, daaraan voorafgaand zal de leerkracht voor zichzelf moeten bepalen wat onder taakgericht en niet-taakgericht gedrag wordt verstaan. Het is natuurlijk vanzelfsprekend dat m.b.t. de concretisering van die begrippen consensus moet bestaan binnen het schoolteam.

Bij het observeren van taakgericht gedrag worden in de regel de volgende drie categorieën onderscheiden:

1. code M = Management / Procedureel

De activiteiten van de leerling hebben betrekking op de voorwaarden om een leertaak te beginnen: boeken/schriften zoeken; een potlood slijpen; de juiste pagina opzoeken etc. Het lijkt erop alsof dit taakgericht gedrag is, maar de leerling is niet strikt met de leertaak zelf bezig en daarom is dit gedrag niet (leer)taakgericht.
2. code W = Wacht op de leerkracht.
De leerling wacht op hulp of aanwijzingen van de leerkracht. Let erop dat een vinger opsteken tijdens de instructie door de leerkracht wél taakgericht gedrag is.
3. code N = Niet met de taak bezig
De leerling dagdroomt, kletst, loopt wat rond, is de klas uit, leest een stripboek of praat met een andere leerling (niet over de taak). Ook is een leerling niet met de taak bezig, wanneer hij een andere dan de opgegeven taak uitvoert of (als 8e groeper) luistert naar de uitleg naar het andere deel van de combinatieklas.


Het observeren van het (niet) taakgericht gedrag is niet eenvoudig en het verdient aanbeveling om dit veelvuldig te oefenen. Wanneer dit mogelijk is, in het begin het liefst bij een collega in de klas, zodat alle aandacht naar de observatie-activiteit kan uitgaan.

Na verloop van tijd zul je vanzelf een bepaalde vaardigheid in het observeren ontwikkelen. Deze is zeker van nut bij het in beeld brengen van het leergedrag van de gehele klas.

In de beoordeling van niet-taakgericht gedrag kunnen de antwoorden op de juiste vragen verhelderend werken. De onderstaande lijst in niet uitputtend en kan derhalve worden uitgebreid. Zij geven echter wel een duidelijke indicatie van de richting, waarin de vragen gesteld zouden kunnen worden.

  1. Is de gegeven instructie aan de leerlingen duidelijk geweest?
  2. Is de leerstof te moeilijk of juist te makkelijk?
  3. Waren de benodigde hulpmiddelen goed bereikbaar?
  4. Zijn er duidelijke afspraken gemaakt t.a.v. het werk dat de leerlingen kunnen doen als ze klaar zijn met hun werk?
  5. Duurt de instructie niet te lang?
  6. Is de groepsopdracht duidelijk?
  7. Zitten de leerlingen niet te dicht op elkaar?
  8. Zit de leerkracht zodanig dat hij/zij de klas kan overzien en eventueel preventief kan ingrijpen
  9. Is er voldoende variatie in de gebruikte didactische werkvormen?
  10. Kijkt de leerkracht regelmatig de klas in om te zien of iedereen taakgericht bezig is?
  11. Is het optreden van de leerkracht bij overtredingen en regels door een leerling zodanig 'storend', zodat het ingrijpen storender is voor de andere leerlingen dan de overtreding zelf?
Wanneer leerkrachten zich een beeld willen vormen van de wijze waarop zij de hen beschikbare tijd al dan niet effectief gebruiken, zullen zij het tijdsgebruik systematisch moeten analyseren en interpreteren en dit plaatsen binnen een kader. Dit kader, dat ondersteund wordt vanuit verschillende onderzoeken in die richting, geeft aan dat een taakgerichte tijd van boven de 80 procent hoog is en van beneden de 60 procent laag genoemd mag worden.

 

Een observatiemethode voor de groep/klas m.b.t. niet-taakgericht gedrag.

In een tijdsperiode van minimaal 7 minuten en maximaal 10 minuten telt de leerkracht om de minuut het aantal leerlingen dat niet-taakgericht bezig is. Bovendien noteert de leerkracht het aantal leerlingen in de klas dat deze dag aanwezig is en aan de les moet deelnemen. Pas aan het eind van de dag vult de leerkracht de overige gegevens in en maakt de berekeningen. Iemand heeft tijdens twee lessen van Monique de kinderen geobserveerd op taakgerichtheid. In de klas zitten 34 leerlingen en de gehele groep werd als uitgangspunt genomen.
 
LEERKRACHT: Monique Buitendijk
DATUM: 20 april 2000
AANTAL LEERLINGEN: 34
SITUATIE BESCHRIJVING: De kinderen hebben net bijbelse geschiedenis gehad en enthousiast liederen gezongen. De observatie wordt gestart als de kinderen vijf minuten instructie hebben gehad. Bij dat lesgedeelte was veel interactie en werden de kinderen actief bij een rekenprobleem betrokken.
LESONDERDEEL: rekenen TIJD: 9.10 - 9.20 AANTAL LEERLINGEN: 34
MINUTEN:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10 TOTAAL: % TAAKGERICHT
Aanwezig in de klas 34 34 33 33 33 34 34 34 33 33
335
285 : 335 x 100 =
Niet taakgericht
0
1
4
4
5
8
9
8
5
6
  50
85%
Taakgericht 34 33 29 29 28 26 25 26 28 27
285
 
SITUATIE BESCHRIJVING: De kinderen hebben tot 9.45u rekenen gehad. Na afloop van rekenen mochten ze even een paar minuten 'rommelen' en daarna verder met taal. De uitleg verliep klassikaal en de kinderen werken nu zelfstandig aan de opgaven. Een belangrijk punt is dat het om 10.15u pauze is en de kinderen dan een hele ochtend hebben gewerkt.
LESONDERDEEL: taal TIJD: 10.00 - 10.10 AANTAL LEERLINGEN: 34
MINUTEN:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
TOTAAL: % TAAKGERICHT
Aanwezig in de klas 34 34 34 34 34 34 34 34 34 34
340
255 : 340 x 100 =
Niet taakgericht
7
7
8
6
9
9
10
10 
9
10
85
75%
Taakgericht 27 27 26 28 25 25 24 24 25 24
255
 

In het schema zie je dat op sommige momenten minder kinderen in de klas waren. Op dat moment was er een kind naar de wc. Ook zie je dat de taakgerichtheid bij taal afneemt met  13%. Een mogelijkheid hiervoor kan zijn dat het bijna pauze was en de kinderen minder concentreerd werden. Om een goed beeld van de klas te krijgen moet er dan ook meerder malen geobserveerd worden. Bij de observaties kan je een aantal vragen stellen:

- Komt het niet te vaak voor dat leerlingen uit de klas zijn?
- Waarom zijn op sommige moment té veel leerlingen niet-taakgericht bezig?
- Zit er regelmaat in het niet-taakgericht gedrag of golft dit op en neer?
- Is het niet-taakgericht gedrag op bepaalde dagen/lesonderdelen hoger?
- Hoe komt het dat bij groepswerk de taakgerichtheid lager is?
- Zijn er verschillen m.b.t. de taakgerichte tijd tussen rekenen en taal?
Factoren die van invloed zijn op de actieve leertijd

Een hoge taakgerichtheid is wel een voorwaarde, maar zeker geen garantie voor een hoge leerwinst. Er zijn namelijk veel meer factoren van invloed op de leerprestaties, bijvoorbeeld motivatie, instelling, aanleg, de leerkracht, onderwijsmethoden, leermiddelen, het aantal leerlingen in de groep en de mate waarin wordt omgegaan met de verschillende niveaus van de leerlingen. Hieronder gaat het om een specifieke factor, namelijk de efficiëntie van de tijdsbesteding of actieve leertijd.

Actieve leertijd zegt iets over de manier waarop de tijd wordt besteed. Bij de leerling die de leerstof over breuken goed beheerst, zal het vele oefenen met breuken niet leiden tot meer leerwinst. De leertaak is niet relevant voor de beoogde leeruitkomst ook al is de leerling volop bezig met de leertaak. Voor de leerling die de leerstof niet goed beheerst, kan het wel een relevante oefening zijn om veel sommen over breuken te maken. Maar ook hier zal de leerling weinig vorderingen maken als de oefeningen niet zijn afgestemd op zijn niveau. Op de actieve leertijd zijn drie factoren van grote invloed:

  1. De afstemming van de leertaak op het doel

  2. Om de leerstof en leertaken zo goed mogelijk op de doelen af te kunnen stemmen, is het verstandig een onderscheid te maken tussen minimale doelen (die door alle kinderen van een leerjaar ten minste bereikt moeten worden) en differentiële doelen (die na het bereiken van de minimale doelen nagestreefd worden). Van de leerkracht wordt dus gevraagd verantwoorde keuzes te maken ten aanzien van zowel leerstof en het doel van het onderwijs als ten aanzien van leerstof en het niveau van de leerling.
  3. De geschiktheid van de leertaak voor het niveau van de leerling

  4. Hierbij wordt de vraag gesteld of de taak aansluit bij voorgaande taken en bij taken die de leerlingen reeds beheersen. De leerkracht, die een verantwoorde leerstofkeuze maakt, zal een schatting moeten kunnen maken van het niveau van de leerlingen en de moeilijkheidsgraad van de taak.
  5. De succeservaringen

  6. De leerling kan de tijd nuttig en minder nuttig besteden, afhankelijk van de moeilijkheidsgraad van de taak. Lange tijd bezig zijn met te moeilijke opgaven geeft de leerling nauwelijks succeservaringen. De leerling zal dan weinig vorderingen maken. Krijgt de leerling echter veel te gemakkelijke taken, ook dan zullen de leervorderingen nihil zijn.
Bij de taakgerichtheid van de leerlingen speelt de leerkracht dus ook hier een grote rol. Wanneer de leerkracht dus zorgt dat elk kind op het eigen niveau kan werken en zorgt dat de lessen betrokkenheid bij de kinderen opleveren is er al veel bereikt. De leerkracht kan door de kinderen en zichzelf goed te observeren een waardevolle bijdrage leveren aan de taakgerichtheid van de leerlingen. Op deze manier bereik je dan ook dat er actief geleerd wordt door de klas.

Bij het schrijven van dit artikel is mede gebruik gemaakt van de studietekst "Effectieve instructie en doelmatig klassenmanagement" uit periode 7.