Leerkrachten die zo goed als alles in de klas willen regelen en dus weinig overlaten aan de zelfstandigheid van hun leerlingen, hebben tegenwoordig een bijna onmogelijke taak, nog afgezien van de vraag of dit pedagogisch gezien wel gewenst onderwijsgedrag is. Het is juist zaak om de verantwoordelijkheden zo laag mogelijk in de klassenorganisatie te leggen. Dat wat leerlingen zelfstandig kunnen, moeten ze ook zelfstandig doen en die zelfstandigheid moet aangeleerd en gestimuleerd worden. Aspecten die hierbij een rol spelen zijn o.a.: aanleren van zelfstandig werken, roosterimplicaties, werken in groepen, het stellen van regels, het signaleren van problemen.
Leertaken worden op school door leerlingen met meer of minder hulp van de leerkracht of van medeleerlingen gemaakt. Als de directe hulp van de leerkracht afwezig is, spreken we van zelfstandig werk. Er bestaat echter nog een andere werkvorm waarbij leerlingen min of meer zelfstandig een opdracht uitvoeren, namelijk 'individuele verwerking'.
Individuele verwerking volgt in de regel op een instructieles. De leerlingen kennen het doel van de opdrachten en weten precies wat ze moeten doen. Individuele verwerking heeft tot doel nieuwe leerstof in te oefenen die in een instructieles is aangeboden. Zelfstandig werk refereert aan opdrachten die òf zijn opgedragen door de leerkracht, òf door de leerlingen zelf zijn gekozen. Zelfstandig werk heeft tot doel de leerlingen zonder directe begeleiding van de leerkracht aan deze opdrachten te laten werken.
Zelfstandig werken heeft de volgende kenmerken:
1. de directe hulp van de leerkracht is afwezig
2. opdrachten komen van de leerkracht of zijn door de leerling zelf gekozen
3. de leerlingen werken op eigen niveau
4. de leerlingen kunnen met verschillende opdrachten bezig zijn
5. de leerstof heeft niet altijd betrekking op een zojuist gegeven instructie
6. het werk kan over meer dagen of tijdseenheden worden gespreid
7. leerlingen kunnen op een verschillend moment klaar zijn met het werk
8. de leerlingen kunnen aan de opdrachten werken als zij hun andere taken af hebben
Het
onderkennen van de zelfstandigheidsniveaus
Wil het zelfstandig werken succesvol verlopen moet aan een aantal basisvoorwaarden zijn voldaan. Een leerling moet de kans krijgen zijn zelfstandigheid te ontwikkelen. Deze ontwikkeling kan al starten op zeer jonge leeftijd door de leerlingen korte kernachtige opdrachten te geven die ze zonder directe hulp van de leerkracht moeten uitvoeren. Zelfstandig werken is een voorwaarde om te kunnen differentiëren naar doelen, interesses, tempo, methoden en inhouden. Er moet ook echter naar zelfstandigheid zelf worden gedifferentieerd. Niet iedere leerling kan even lang en even gemotiveerd zelfstandig aan een taak werken.
Om meer greep te hebben op leerlingen tijdens het zelfstandig werken kan de leerkracht de leerlingen indelen in zogenaamde aandachtscategorieën door een dagelijkse inschatting te maken van de aard van de taken die de leerlingen moeten uitvoeren. Hiertoe heeft de leerkracht twee controle momenten tot zijn beschikking: gedurende de periode van zelfstandig werk, en het controleren van het werk na schooltijd.
Globaal gezien kunnen leerlingen in drie aandachtscategorieën worden ingedeeld:
1. Leerlingen die veel aandacht nodig hebben tijdens het zelfstandig werken.Aangezien het werken volgens deze aandachtscategorieën een continu-proces is, zullen leerlingen regelmatig circuleren door de drie aandachtscategorieën. Een leerling blijft hoogstwaarschijnlijk niet langer in een bepaalde categorie dan een paar dagen. Het uitgangspunt van deze indeling is dat de leerkracht de mogelijkheid moet hebben om zijn aandacht meer gericht over de leerlingen te kunnen verdelen. We spreken dan over aandacht naar behoefte.
De leerlingen hebben betrekkelijk veel hulp en terugkoppeling nodig.2. Leerlingen die aan normale aandacht genoeg hebben
3. Leerlingen die weinig aandacht nodig hebben.
Deze leerlingen kunnen geheel zelfstandig hun werk vervolgen
Het plannen van zelfstandig werk
Wanneer we er
naar streven dat leerlingen verantwoordelijkheid gaan dragen voor een eigen
planning, zijn vaste tijdsperioden van belang. Met een vaste tijdsperiode
bedoelen we vaste momenten van de dag.
Het plannen van
werkzaamheden is niet voor iedere leerling even gemakkelijk. Aan het plannen
van zelfstandig werk zitten twee belangrijke aspecten vast, namelijk het
tijdsaspect en het leerstofaspect. Omgaan met het tijdsaspect is een kwestie
van ervaring. Door oefening, terugkoppeling door de leerkracht en door
begeleiding zullen ze het tijdsaspect beter leren kennen.
Wat het leerstofaspect
betreft is het van belang dat de leerlingen zich afvragen wat ze in een
bepaalde periode willen gaan doen en in welke volgorde.
Bij het aanleren
van zelfstandig werk kunnen de volgende handreikingen van dienst zijn:
Wanneer de leerlingen
zelfstandig werken is het voor de leerkracht van belang om te weten of
de leerlingen ook taakgericht werken.
Als leerkracht weet je vaak wel welke leerlingen problemen zullen krijgen
of hebben met zelfstandig werken. Daarom is het van belang dat er regelmatig
geobserveerd wordt. De observaties kunnen het best worden verricht tijdens
de zelfstandige verwerking van veel voorkomende leerstofonderdelen, zoals
rekenen en taal.
Bij het observeren
kan de leerkracht zich richten op een aantal mogelijke knelpunten tijdens
de verschillende fasen in de activiteitencyclus van de leerling. Zo krijg
je van elke leerling een goed beeld en kan je het zelfstandig werken en
de taken die uitgevoerd moeten worden aanpassen aan de leerlingen.