Wat
is een leerstijl?
Leren kent diverse
verschijningsvormen en vindt plaats in allerlei leeromgevingen. Vaak wordt
er gesproken over 2 soorten van leren namelijk: het schools/formeel leren
of buitenschools/informeel leren.
Schools/formeel
leren bevindt zich vaak op school. Het krijgt een wat formeel karakter.
Buitenschools/informeel leren zijn vaak situaties buitenschool. Het leren
gebeurt hier vaak incidenteel en is informeel van aard. Het gemeenschappelijke
in alle vormen van leren is dat het over het algemeen gaat om min of meer
duurzame gedragsverandering. Door het leren verandert er namelijk vaak
wat in je gedrag. Je gaat dingen anders doen of je gaat anders denken doordat
je wat geleerd hebt over bepaalde onderwerpen.
Het leren kan
echter op allerlei verschillende manieren. Ieder is geneigd een probleem
of leertaak vanuit een bepaalde aanpak of strategie te lijf te gaan. De
een begint met iets te doen en gaat nadenken als het niet lukt, een ander
begint met na te denken en gaat dan pas uitproberen. De manier waarop iemand
gewend is een leertaak of probleem aan te pakken noemen we een leerstijl.
Leerstijlen zijn niet goed of slecht, omslachtig of doelmatig, nee, ze
zijn eenvoudig. Misschien is een leerstijl aangeboren en in ieder geval
is die versterkt door gewoontevorming. Uit onderzoek (Boekaerts/Simons,
1995) is gebleken dat er op dit punt constante verschillen zijn tussen
mensen. Diverse onderzoekers hebben die verschillen in leerstijlen onderzocht.
Wij zullen je twee van die leerstijltheorieën kort toelichten.
De leerstijl
volgens Kolb
De eerste theorie
is van de Amerikaanse psycholoog Kolb. Het voorbeeld genoemde verschil
in stijl tussen een 'doener' (eerst de computer aanzetten) en een 'denker'
(eerst de handleiding lezen) is ontleend aan zijn theorie. Hij gaat er
vanuit dat er vier fasen in leerprocessen zijn te onderscheiden:
-
Concreet ervaren:
iets doen en dan ontdekken wat dat voor gevolgen heeft. Zo'n ervaring is
vaak emotioneel gekleurd: de leerling ervaart al doende succes of teleurstelling.
-
Reflectief observeren:
bekijken wat er gebeurd is en daarover nadenken en erop verder fantaseren.
De leerling ziet niet alleen wat er is gebeurd, maar probeert ook de oorzaken
en achtergronden daarvan te ontdekken en te bedenken wat de mogelijke gevolgen
zouden kunnen zijn.
-
Abstract conceptualiseren:
de leerling zoekt een theorie (verklaring, model, concept). Hierdoor hoopt
hij aan hetgeen hij ervaren heeft en waarover hij heeft nagedacht een zekere
voorspelbaarheid te kunnen koppelen.
-
Actief experimenteren:
de leerling gaat toetsen of de in de vorige fase ontdekte theorie werkelijk
klopt. Niet alleen door zijn eerste handeling te herhalen, maar ook door
die theorie toe te passen op andere, soortgelijke situaties.
Volgens Kolb komen
deze vier fasen in elk leerproces voor, echter niet altijd in dezelfde
mate en in dezelfde volgorde. De fase die de leerling het meest aanspreekt,
is meestal ook de activiteit waarmee hij zal beginnen als hij een leertaak
krijgt voorgeschoteld en waarin hij ook de meeste energie zal steken. Omdat
hij leertaken vanuit zijn favoriete activiteit benadert, zal zijn vaardigheid
op dat gebied ook het beste ontwikkeld worden en zo ontstaat dan geleidelijk
de typische 'denker' of 'doener'. De doener is het meest actief in de fasen
concreet ervaren en actief experimenteren; de 'denker' voelt zich het beste
thuis bij activiteiten reflectief observeren en abstract conceptualiseren.
En zo ontstaan de bekende karikaturen van de uitstekende vakman die amper
kan lezen en de professor die zijn fietsband niet kan plakken.
De leerstijlen
volgens Vermunt
De theorie van
Kolb gaat uit van verschillen in leerstijl bij het functionele leren, dat
wil zeggen iets leren om er ook iets mee te kunnen doen. In de theorie
van Vermunt wordt het begrip leerstijl meer benaderd vanuit de invalshoek
van het schoolse leren, dat wil zeggen: welke leerstijl hanteert de leerling
bij voorkeur om zich de stof eigen te maken. In deze benadering worden
drie soorten leerstijlen onderscheiden:
-
Reproductiegerichte
stijl: een leerling die deze stijl hanteert, gebruikt zijn energie
vooral om te memoriseren (stof zo leren dat je het letterlijk kunt reproduceren),
te herhalen en de leerstof stapsgewijs te analyseren. De leerling is heel
diploma- en toetsgericht. Het eind cijfer is heel belangrijk.
-
Betekenisgerichte
stijl: de leerling richt zijn aandacht vooral op de hoofdzaken van
de te bestuderen stof. Hij onderzoekt de standpunten, ideeën en conclusies,
legt verbanden en neemt ook kritisch stelling. Er wordt eigenlijk geleerd
vanuit een persoonlijke interesse.
-
Toepassingsgerichte
stijl: zo'n leerling richt zich vooral op de toepassingsmogelijkheden
van de leerstof. Hij wilt weten of de leerstof relevant is voor de praktijk
en heeft vooral behoefte aan concrete informatie en voorbeelden. Het leren
is nu vooral beroepsgericht.
In het onderwijs
nu wordt er vooral nog de aandacht gelegd op reproduceerbare kennis van
de leerling. Dit wordt het beste verkregen via de reproductiegerichte stijl.
Dit komt doordat deze kennis makkelijk te toetsen bij grote groepen leerlingen,
zoals bijvoorbeeld landelijke examens.
Dit is jammer,
want het kunnen leggen van verbanden, intergratie van de leerstof en die
kunnen toepassen in concrete situaties is minstens even belangrijk als
het kunnen reproduceren van kennis.
In dit E-zine
kun je echter voorbeelden vinden van hoe het ook anders zou kunnen. Actief-leren
is namelijk niet alleen gericht op het reproduceren van kennis, maar vraagt
om andere vaardigheden en kennis van leerlingen.
Bronnen:
De
didactiek van leren en choachen; Sjef Leermakers
Van
leertheorie naar onderwijspraktijk; Tjipke van der Veen/Jos van der Wal