Haaien
 

Haaien. In totaal kun je vijf soorten roggen en twee soorten haaien tegen komen in het Roggenrif: de stekelrog, de kleinoogrog, de golfrog, de blonde rog, de gevlekte rog, de hondshaai en de gevlekte gladde haai. Algemeen Tussen de vissen heb je verschillen. Er zijn namelijk kraakbeen- en beenvissen. Beenvissen zijn vissen met echte botten. Roggen en haaien behoren tot de kraakbeenvissen. Deze hebben geen botten maar kraakbeen als skelet. Kraakbeen is veel zachter dan bot. Het is een beetje te vergelijken met een verse, ongekookte aardappel.  Een ander verschil tussen kraakbeen- en beenvissen is de huid. Beenvissen hebben schubben, kraakbeenvissen zijn bedekt met zogenaamde huidtandjes. Dit zijn allemaal kleine tandjes die door de huid steken en naar achteren gericht zijn. Haaien Over de hele wereld komen ongeveer 350 verschillende soorten haaien voor, die sterk kunnen variëren in maat en vorm. Haaien voeden zich voornamelijk met kreeftachtigen en vis.  Voortbeweging Haaien zijn prima aangepast aan het leven in water. Ze hebben een lang, torpedovormig en gestroomlijnd lichaam. Dit is de ideale lichaamsvorm om zo makkelijke mogelijk door het water te bewegen. De staartvin zorgt voor de voortbeweging, de borstvinnen worden gebruikt om te sturen en de rugvin zorgt voor stabiliteit.  Ademhaling  Haaien hebben 5 paar kieuwen. Het water dat door de bek naar binnen komt, stroomt langs de kieuwen en gaat daarna door de kieuwspleten weer naar buiten. Op die manier wordt de zuurstof uit het water gehaald.  Gebit Een haai heeft meerdere rijen tanden in zijn bek (ongeveer 15 rijen!). Hoe verder je binnen in de bek kijkt, hoe kleiner de tanden. De kleinste tandjes groeien uit een soort laag, waaruit bij de haai zijn hele leven tanden groeien. Van al die tanden is alleen de voorste rij in functie, de rest ligt plat. Als er een tand uitvalt, doordat de haai bijvoorbeeld zijn bek hard dicht klapt, wordt deze plek binnen 24 uur door een achterliggende reservetand overgenomen.  Zintuigen Een haai kan behoorlijk goed zien, proeven en vooral ruiken. Daarnaast heeft een haai nog twee andere zintuigen.  Het zijlijnorgaan vangt trillingen op en is van buiten te zien als een reeks gaatjes langs de flank. Een spartelende vis wordt daarmee al op honderden meters afstand opgemerkt. Het meest vreemde zintuig wordt gevormd door de ampullen van Lorenzini. In de snuit zitten overal donkere punten, die bij nader inzien openingen blijken te zijn die in verbinding staan met nauwe buisjes. Deze buisjes zijn gevuld met een soort gelatine-achtige stof, die heel goed elektrische stroompjes geleidt. Aan het eind van elk buisje zit een blaasje, een ampul waarin heel gevoelige zenuwcellen zitten. Als een haai over een schol zwemt die onder het zand zit, ziet hij niets. Als de schol ademt spelen heel kleine elektrische stroompjes in de ademspieren een rol. De haai neemt deze waar door middel van de "ampullen van Lorenzini", weet dat er een prooi onder het zand zit en hapt toe.  Voortplanting Haaien planten zich traag voort. Ze doen er jaren over voordat ze geslachtsrijp zijn en dan krijgen ze ook nog maar eens in de twee, drie jaar een beperkt aantal jongen. Alle haaien hebben een inwendige bevruchting, iets wat bij vissen niet echt gewoon is. De twee buikvinnen van het mannetje zijn daarvoor speciaal uitgerust. Een deel van elke buikvin is vergroeid tot een sigaar-vormig orgaan. Deze organen, die dienst doen als penis, noemen we "claspers". Na de bevruchting ontwikkelen de jonge haaitjes zich. Hierbij kunnen we de haaien in drie groepen verdelen (de eerste twee kom je in het Dolfinarium tegen): Ovipaar (eileggend): de haai legt eieren in eikapsels die aan de uiteinden lange hechtdraden hebben. De haaien zwemmen bij het afzetten van de eieren rond een paal of een steen, zodat de eieren hier stevig aan vast worden gebonden. In het eikapsel zit een voedselrijke dooier, die de jonge haai nodig heeft om te groeien. Als de jonge haaien ver genoeg gegroeid zijn, komen ze uit het ei. Hoe lang het duurt voor een jonge haai uit het ei komt verschilt per soort, maar ook per gebied. In warme gebieden groeit het jong sneller en komt het dus ook eerder uit het ei. Ovovivipaar (eierlevend-barend): de eieren hebben slechts een dun eikapsel en worden in het moederlichaam vastgehouden. Daar ontwikkelen de jongen zich helemaal, totdat ze zichzelf kunnen redden. De jonge haaien komen in het moederlichaam uit het ei. In feite baart de moederhaai dus levende jongen. Vivipaar (levendbarend): de eieren van de haaien die in onder deze categorie vallen, hebben (bijna) geen eikapsel en slechts een kleine dooier. De dooier hecht zich vast aan de wand van de eileider van de moeder, waarna een soort placenta ontstaat. Het moederdier voorziet de jongen voortdurend van voedsel via de placenta en navelstreng. Net als bij zoogdieren dus! De eikapsels van haaien zien er per soort heel verschillend uit, maar bestaan altijd uit twee delen. Het centrale deel van het eikapsel noemen we de doos. Hierin ontwikkelt het jong zich. De draden die aan de uiteinden van het eikapsel zitten, zijn de hoorns. Deze hoorns spelen een rol in de zuurstofvoorziening van het embryo. Roggen Roggen zijn platte vissen die op de bodem van de zee leven. Ze zijn vaak moeilijk te zien, omdat ze schutkleuren hebben. Dit betekent dat ze ongeveer dezelfde kleur hebben als de bodem. Ze graven zich ook vaak in in het zand, waardoor ze nog slechter te zien zijn. Roggen eten allerlei soorten dieren die op de zeebodem voorkomen, zoals krabben, garnalen, wormen, slakken, kleine visjes en inktvisjes en schelpdieren. Om de schalen van de schelpdieren te kunnen kraken, heeft een rog hele korte en botte tanden.  Lichaamsbouw Roggen zijn plat, hebben een lange staart en gebruiken hun borstvinnen om mee te zwemmen. Deze borstvinnen zien eruit als een soort vleugels. De bek van een rog zit aan de onderkant, de ogen zitten bovenop.  Ademhaling De bek van een rog zit aan de onderkant. Aangezien een rog op de bodem van de zee leeft, kan hij niet door de bek ademhalen. Dan zou hij ook zand binnen krijgen. Daarom heeft een rog achter zijn beide ogen een kieuwopening, waardoor hij het water naar binnen zuigt. Aan de onderkant heeft een rog vijf paar kieuwspleten, waardoor het water weer naar buiten komt.   Voortplanting Evenals bij haaien vindt de bevruchting bij roggen inwendig plaats, waarbij een of twee mannelijke clasper(s) in het vrouwtje wordt gebracht. Net als bij haaien, kunnen we roggen wat betreft de voortplanting in drie categorieën verdelen:  Ovipaar,  Vovivipaar,  Vivipaar.  De eikapsels (eieren) van roggen bestaan uit twee delen. Het centrale deel van het eikapsel noemen we de doos. Hierin ontwikkeld het jong zich. De sprieten die aan de uiteinden van het eikapsel zitten, zijn de hoorns. Deze hoorns spelen een rol in de zuurstofvoorziening van het embryo.` De eieren van een rog zien er anders uit dan die van een haai. Op de hoeken van een rogge-ei zitten lange punten, terwijl aan het ei van een haai kruldraden zitten.

Deze man is aangevallen door een haai en heeft dit overleefd.

 

Mensen Haai (Carcharniniformes)

Korte samenvatting:

Lengte:
Afhankelijk van de familie

Vorm:
Afgeplatte snuit, baarddraden, een onderstandige mondopening, kleine open, twee rugvinnen zonder stekel en een aarsvin.

Habitat: Kust en oppervlakte wateren van tropische zeeën.

Verspreiding:
Atlantisch gedeelte van de Grote Oceaan.
Voshaai: Ook gezien in de Noordzee.

Familie(8) :
Familie van de mensenhaaien (Carcharhinidae)
Familie van de hamerhaaien (Sphyrnidae)
Familie van de kathaaien (Scyliorhinidae)
Familie van de valse gladde haaien (Pseudotriakidae)
Familie van de gladde haaien (Triakidae)
Familie van de wezelhaaien (Hemigaleidae)
Familie van de vinrughaaien (Proscylliidae)


Met 17 onderfamilies en ongeveer 60 soorten vormen de mensenhaaien de grootste familie van de echte haaien. Ze hebben allemaal vijf kieuwspleten, een aarsvin en twee rugvinnen, waarvan de tweede meestal kleiner is dan de eerste. De bovenste lob van de staartvin ligt meestal in een ondiepe holte. Bij alle soorten, behalve bij de Galeorhinus japonicus, wordt het oog beschermd door een knipvlies. Hun lichaam is spilvormig en ze hebben grote, scherpgepunte tanden; meestal zijn ze ovovivipaar maar enkele soorten zijn vivipaar met een dooierblaasplacenta.
De blauwe haai (prionace glauca L.) wordt 3 meter lang maar schijnt soms een lengte van 6 meter te bereiken. Hij heeft een indigoblauwe rug en een witte buik. Zijn borst- en staartvinnen zijn lang en slank. Zijn eerste rugvin staat tamelijk ver naar achteren, zodat deze iets dichter bij de buikvin dan bij de borstvin staat.
Hij heeft een spitse snuit en zijn grote driehoekige fijn gekartelde tanden zijn enigszins gekromd. De blauwe haai is een in open zee voorkomende roofvis en te vinden in alle gematigde subtropische en tropische zeeën, waaronder de Middellandse Zee. De wijfjes zijn geslachtsrijp zodra ze een lengte van ongeveer twee meter hebben bereikt. Het embryo worden vanuit het moederlichaam via een dooierblaasmoederkoek (viviparie) gevoed. De jongen zijn bij de geboorte 50 centimeter lang. In één worp heeft men soms wel 63 stuks geteld.
De blauwe haai volgt over grote afstanden scholen makrelen, tonijnen, haringen en sardienen. Hij vreet ook andere haaien, evenals inktvissen, vernielt netten van vissers en valt in groepen de kadavers van dode walvissen aan. Als bewoner van de openzee verschijnt hij zelden bij de kust. De blauwe haai behoort tot de soorten die ook mensen aanvallen. In Japan waardeert men de smaak van zijn vlees heel erg en dat wordt daar dan ook in grote hoeveelheden gegeten.
Een terecht gevreesde soort uit deze familie is de tijgerhaai. (galeocerdo cuvieri PERON en LE SUEUR). Hij heeft een korte stompe snuit. Exemplaren die een lengte van 2 meter bereikt hebben vertonen opvallende donkerbruine vlekken en strepen op hun grijze lichaamsflanken; bij grotere dieren verdwijnen deze langzamerhand. Hun tanden hebben een zeer brede basis en een gekartelde rand en zijn aan één kant altijd die gekerfd. De staartsteel heeft aan beide kanten een stabilisatievin. Tijgerhaaien kunnen 6 meter lang worden. Ze zijn ovovivipaar. In het moederlichaam kunnen 84 jongen tegelijk tot ontwikkeling komen; deze zijn bij de geboorte bijna een halve meter lang. De tijgerhaai komt in alle tropische en subtropische zeeën voor, maar niet in de Middellandse Zee. Hij leeft zowel in de open zee als onder de kust en inde monding van rivieren. Hij schijnt een alleseter te zijn, die kleine dieren (krabbetjes, slakken, mosselen) graag eet, alsook diverse vissen, zeevogels, haaien, zeeschildpadden en robben. Hij maakt ook jacht op in estuaria levende krokodillen, en heeft reeds veel mensen aangevallen.
Bij de grijze haaien uit de onderfamilie Carcharhinus is de tweede rugvin veel kleiner dan de eerste. Ze hebben geen spuitgat. Het midden van de onderrand van de rugvin ligt dichter bij de borstvin dan bij de buikvin. De tanden in hun bovenkaak zijn gekarteld. Men heeft deze onderfamilie nog verder onderverdeeld en onder meer onderscheidt gemaakt tussen de Eulamia, Isogomphodon en Galeamna. Garrick en Schultz vinden dit even wel niet terecht. Deze onderfamilie komt heel veel voor in tropische, subtropische en gematigde zeeën. Enkele soorten komen ook voor in zoet water. Het verschil tussen de verschillende soorten is soms moeilijk te zien.
Veel soorten lijken zo veel op elkaar dat zelfs specialisten het verschil tussen hen maar heel moeilijk kunnen zien. Vele onderscheiden zich van verwante soorten alleen maar door het aantal hunner tanden, de vorm van de tanden en het aantal rugwervels; allemaal kenmerken die niet van buiten af zichtbar zijn. Uiterlijke kenmerken zijn de vorm van de snuit, de hoogte van de rugvin in verhouding tot de basis, de lengte van hun borstvinnen, de afstand tussen hun neusgaten, de vorm van de palcoïdschubben, de kleur enzovoort.

De leden van de familie der toonhaaien (Triakidae) zien er net zo uit als de grijze haaien, doch een knipvlies en de holte voor de staartvin ontbreken bij hen; bovendien hebben ze enkele rijen kleine tandjes tegelijk in gebruik. De onderste lob van hun staartvin is slechts zwak ontwikkeld. Een 1,5 meter lange luipaardhaai heeft wel eens een mens aangevallen.
De tot de toonhaaien gerekende familie Triaenodon heeft in afwijking van de meeste overige leden dezer familie wel een knipvlies en een holte voor de staartvin, doch geen spuitgat. De witpunt toonhaai is een slanke, ongeveer 2 meter lange haai, met een stompe snuit en witte vintippen. Deze in de koraalriffen van de Rode Zee, Indische en de Grote Oceaan levende haaien zijn geheel beweeglijk en in staat prooidieren uit holen en gaten in het rif te halen. Deze haai is tegenover mensen alles behalve aanvalslustig, maar toch werd Hass tot op het bot in zijn arm gebeten, toen hij een klein exemplaar harpoeneerde en aan zijn staart vastgreep.
Een langs de Europese kusten voorkomende toonhaai is de sterhaai of de gladde toonhaai. (Mustelus vulgaris Muller en Henle). Deze ongeveer twee meter lange soort heeft een stervormige witte vlek op zijn voor de overige grijze rug. Zijn tanden zijn tot brede, steenvormige platen vervormd. Deze haaien komen voor in kustwateren, op een diepte van 40 tot 100-meter en rusten overdag. ,S nachts zwemmen zij op zoek naar voedsel vlak langs de bodem. Ze leven van mosselen en kreeften. Deze soort is vivipaar. De wijfjes kunnen ongeveer 40 jongeren baren, maar niet tegelijkertijd omdat ze niet even oud zijn. De gladde toonhaai komt in het warme en subtropische oostelijke deel van de Atlantische Oceaan voor, evenals in de Middellandse Zee.
Familie der Hamerhaaien(Sphyrnidae)

Hamerhaaien (Sphyrnidae) kunnen heel gemakkelijk aan hun hamervormige verbrede schedel worden herkend. Ze komen in alle tropische en gematigde zeeën voor. Van de zeven bekende soorten van de onderfamilie kunnen er drie voor zwemmers en duikers gevaarlijk zijn. Bij de grote hamerhaai (Sphyrna mokarran Ruppell) is een duidelijke verdieping zichtbaar. Hun tanden zijn fijn gekarteld. Hij mijdt koelere wateren, maar deze soort, die 7 meter lang kan worden, komt verdere wel voor in de Indische en Grote Oceaan, de gematigde Atlantische zones, de Middellandse Zee en de Rode Zee. Hij is echter zeldzaam.
De Sphyrna lewini Cuvier, Griffith en Smith is een hamerhaai met een gebogen kop, die in het midden enigszins ingedeukt is. Zijn tanden hebben een gladde rand. Deze soort wordt niet veel langer dan 3 meter, en kan worden aangetroffen in de hele tropische gordel van de drie oceanen, de Rode Zee en de Middellandse Zee.
De gladde hamerhaai (Sphyrna zygaena L.) wordt iets groter dan voor genoemde soort. Zijn gebogen kop is in het midden niet ingedeukt.
Jonge dieren hebben gladde tanden, maar bij oudere dieren zijn de tanden enigszins gekarteld. Deze soort komt ook voor genoemde gebieden voor, maar dringt wat verder voor door in koudere streken, zowel in noordelijke als in zuidelijke richting.
Familie der Kathaaien(Scyliohinidae)

De aan de zoogdieren nauw verwante kathaaien ( Scyliohinidae) zijn meestal klein en dikwijls heel opvallend gekleurd. Ze zijn slank en hebben meestal twee rugvinnen. Ze hebben altijd meerdere rijen tanden tegelijkertijd in gebruiken. In de kustgebieden van de tropische en gematigde zeeën komen 12 onderfamilies en ongeveer 50 soorten voor. Welbekend zijn de klein gevlekte en groot gevlekte kathaai (Scyliorhinus caniculus en Scyliorhinus stellaris) die men gemakkelijk in aquaria kan houden en die derhalve heel geschikt zijn om proeven mee te verrichten. Beide soorten worden veel aangetroffen in de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee.
De klein gevlekte kathaai leeft het liefste boven modderige bodems op een diepte van 15 meter en meer; de groot gevlekte kathaai geeft de voorkeur aan rotsbodems. Beide soorten worden ongeveer 80 centimeter lang; in de Atlantische Oceaan bereikt de groot gevlekte kathaai een lengte van 1,50 meter. Ze leggen 18 tot 20 zeer opvallende eieren: rechthoekige hoornen schalen, die bij de klein gevlekte kathaai een lengte hebben van 4 tot 6 centimeter en bij de groot gevlekte ongeveer twee maal zo lang zijn.
De eieren hebben aan elk der vier hoeken een lange dunne draad, die na de leg in een spiraalvorm opkrult en hard wordt. Met deze draden worden de eieren aan zeeplanten en wier bevestigd; de wijfjes zwemmen tijdens het leggen van de eieren hier tussendoor. De jongen hebben 8 tot 9 maanden nodig voordat ze uit hun eieren kruipen. Ze zijn bij de geboorte 8 tot 9 centimeter, respectievelijk 10 tot 16 centimeter lang. In Engeland en Frankrijk worden kathaaien graag gegeten.
 


 
 

Terug naar voorblad